Home » Artikelen

Je naam is van jou… tot iemand anders hem bezit

Over identiteit, merkenrecht en de grenzen van eigendom

De vraag “van wie is een naam?” lijkt in eerste instantie vrij simpel. Voor de meeste mensen is een naam iets persoonlijks, een wezenlijk onderdeel van wie je bent. Toch laat het merkenrecht zien dat een naam ook iets anders kan zijn, namelijk een (economisch) waardevol bezit dat verhandeld, beschermd en zelfs afgenomen kan worden. Recente geschillen rond Katy Perry en Jo Malone laten zien hoe ingewikkeld de spanning tussen identiteit en economische waarde kan worden.

 

Naam als identiteit vs. naam als merk

In het dagelijks leven is een naam een identificatiemiddel. Juridisch gezien kan diezelfde naam echter ook als merk worden geregistreerd. Zodra dat gebeurt, verandert de aard van de naam: het wordt een exclusief recht binnen een commerciële context. Dat betekent dat anderen, soms zelfs de persoon die de naam draagt, beperkt kunnen worden in het gebruik ervan.
Deze ontwikkeling is geen toeval. In een economie waarin reputatie, herkenbaarheid en branding centraal staan, kunnen namen enorme commerciële waarde vertegenwoordigen. Bedrijven investeren daarom in het beschermen van namen via het merkenrecht, en die bescherming wordt steeds strenger gehandhaafd.

 Het Katy Perry-conflict: wie was er eerst?

Maar wat gebeurt er wanneer twee personen dezelfde naam gebruiken in een vergelijkbare branche?
In Australië ontstond een geschil tussen de wereldberoemde zangeres Katy Perry en de ontwerpster Katie Jane Taylor die onder haar geboortenaam KATIE PERRY kleding verkocht. Aanvankelijk kreeg de ontwerpster gelijk: het gebruik van “KATY PERRY” op kleding en andere merchandise werd gezien als een inbreuk op haar eerder geregistreerde merk. Hoewel de zangeres een beroep kon doen op ‘gebruik van eigen naam te goeder trouw’, slaagde ze er niet in om de merkregistratie KATIE PERRY nietig te laten verklaren. Vervolgens verklaarde de Full Court of the Federal Court van Australië het merk KATIE PERRY wel nietig.
Het Australische High Court heeft onlangs echter bepaald dat het handelsmerk KATIE PERRY geldig blijft. Volgens de rechter bestond er in 2008, toen het merk werd geregistreerd, geen reëel risico op verwarring met het merk KATY PERRY. Taylor verkocht al sinds 2007 kleding onder de naam KATIE PERRY, terwijl zangeres Katy Perry haar merchandise pas later wereldwijd begon te verkopen. Het Hooggerechtshof oordeelde dat de zangeres destijds nog geen reputatie had op het gebied van kleding in Australië, waardoor verwarring onwaarschijnlijk was.
Sterker nog, de rechter stelde dat eventuele verwarring vooral het gevolg zou zijn geweest van jarenlange inbreuk door partijen rond de zangeres, die ondanks kennis van het bestaande merk KATIE PERRY toch kleding onder de naam KATY PERRY bleven verkopen.

De uitspraak benadrukt dat niet alleen de bekendheid van een persoon of merk telt, maar vooral wie een naam eerder en consistent commercieel heeft gebruikt. Bovendien laat de uitspraak zien dat het recht op een naam en het recht op een merk juridisch verschillende zaken zijn, en dat merkhouders hun rechten actief moeten beschermen en rekening moeten houden met bestaande registraties, aangezien het negeren van dergelijke rechten kan leiden tot hoge schadevergoedingen.

Jo Malone en Estée Lauder: wanneer je je eigen naam verkoopt

Een andere situatie betreft het geschil tussen Estée Lauder Companies en Jo Malone. In tegenstelling tot Katy Perry draait het hier echter niet om concurrentie, maar om contractuele beperkingen Estée Lauder Companies heeft onlangs namelijk een klacht ingediend tegen parfumeur Jo Malone vanwege het gebruik van haar naam in een samenwerking tussen haar merk Jo Loves en Zara.

Jo Malone bouwde een succesvol parfummerk op onder haar eigen naam, maar verkocht dat merk, én daarmee ook de commerciële rechten op haar naam, in 1999 aan Estée Lauder Companies. Bij de verkoop van haar merknaam aan Estée Lauder Companies heeft Jo Malone ingestemd met beperkingen op het commerciële gebruik van haar naam. Hoewel haar non-concurrentiebeding in 2011 afliep, stelt Estée Lauder Companies dat het gebruik van de naam “Jo Malone” in een samenwerking met Zara inbreuk maakt op hun merkrechten en contractuele afspraken schendt.
Door de verkoop van de rechten is de naam Jo Malone onderdeel geworden van een merkportfolio. Dat betekent dat het gebruik van die naam juridisch beperkt kan zijn, zelfs voor de persoon zelf. Hoewel de Britse merkenwetgeving een beroep op de eigen naam op grond van artikel 11, lid 2, onder a), van de Trade Marks Act 1994 erkent, waardoor particulieren hun eigen naam mogen gebruiken, moet dit wel in overeenstemming zijn met eerlijke handelspraktijken. Dit recht kan bovendien worden beperkt door contractuele verplichtingen.

Dit geschil laat zien dat persoonlijke en zakelijke branding sterk met elkaar verbonden is. Het gebruik van een eigen naam kan waarde en vertrouwen opbouwen, maar zodra de controle over het merk niet meer bij de oprichter ligt, kan dit juridische en commerciële kwetsbaarheid opleveren. Voor publieke figuren is het daarom aan te raden om een onafhankelijke merknaam te ontwikkelen, zodat later commerciële conflicten of contractuele beperkingen kunnen worden vermeden. In het geval van Jo Malone blijft haar naam vanwege haar langdurige reputatie in de parfumsector sterk geassocieerd met haar voormalige merk, waardoor elk commercieel gebruik van haar naam verwarring bij consumenten kan veroorzaken.

Twee soorten conflicten, één onderliggend probleem

Hoewel de zaken Katy Perry en Jo Malone allebei betrekking hebben op het merkenrecht, zijn er duidelijke verschillen. In het ene geval gaat het om twee individuen met dezelfde naam die concurreren; in het andere geval om een individu dat haar naam heeft verkocht.
Toch raken beide situaties aan hetzelfde onderliggende probleem: de groeiende spanning tussen persoonlijke identiteit en economische waarde. Naarmate namen steeds waardevoller worden als merk, wordt de macht om daarover te beslissen steeds meer bepaald door regelgeving en commerciële bedrijven.  

De beoordeling van dit soort geschillen verschilt bovendien per rechtsgebied. Daardoor kan het gebruik van dezelfde naam in verschillende landen tot uiteenlopende uitkomsten leiden, wat de complexiteit voor internationale merken en individuen vergroot. In Europa ligt de nadruk bijvoorbeeld op het voorkomen van verwarring door consumenten en op het eerlijke gebruik van een eigen naam in het economisch verkeer.

Conclusie

De bovengenoemde voorbeelden maken duidelijk dat een naam tegenwoordig veel meer is dan alleen iets persoonlijks. In een sterk gecommercialiseerde wereld kan een naam uitgroeien tot een strategisch bedrijfsmiddel. Voor beroemdheden, ondernemers en influencers betekent dit dat zij bewuster moeten omgaan met hun naam als merk, waarbij aandacht moet worden besteed aan onder meer merkregistraties en contractuele afspraken. Tegelijkertijd blijkt dat het recht op een naam en het recht op een merk niet automatisch samenvallen: wie een naam commercieel wil exploiteren, moet rekening houden met bestaande rechten en verplichtingen. De vraag “van wie is een naam?”, laat zich dan ook niet zomaar beantwoorden en zal, juist door de combinatie van persoonlijke en commerciële belangen, blijvend tot spanningen leiden.

Door Eline Cremers

 

Taylor Swift & de strijd om de Showgirl

Het is het soort verhaal waar de entertainmentwereld van smult: Taylor Swift, popicoon en recordbreker, wordt aangeklaagd door een Las Vegas-performer Maren Wade vanwege een albumtitel. Het gaat om The Life of a Showgirl, Swift’s nieuwste plaat, en Wade’s merk Confessions of a Showgirl. Wade vindt dat haar zorgvuldig opgebouwde merk in één klap wordt overschaduwd door een megaster.

Wade schreef sinds 2014 een column voor de Las Vegas Weekly, waarin ze op hilarische en eerlijke wijze vertelt over de bizarre kanten van een carrière in entertainment. Van vastzitten in een gigantische verjaardagstaart tot het imiteren van een Madonna-imitator, niets bleef onverteld. Het succes van de column leidde tot een podcast en later een live show, en inmiddels dekt haar ingeschreven merk alles van optredens tot televisie-uitzendingen.

Volgens de aanklacht was Swift zich bewust van Wade’s merk, maar bracht ze haar album en merchandise toch op de markt. Binnen weken prijkte de titel op labels, verpakkingen en in winkels, precies bij het publiek dat Wade jarenlang had opgebouwd. Toen Swift probeerde de titel van het album te registreren als merk, werd haar aanvraag geweigerd omdat de kans op verwarring met Wade’s bestaande merk groot zou zijn.

Het conflict gaat niet alleen over een naam. Wade vreest dat haar publiek nu denkt dat haar show een afgeleide is van Swift’s album, terwijl zij juist al jaren werkzaam is in de muziek en show business. Haar advocaat Jaymie Parkkinen heeft het als volgt verwoord: “Een artiest die twaalf jaar een merk heeft opgebouwd, hoeft niet toe te kijken hoe iemand met meer middelen dat merk overschaduwt.”

Deze zaak laat zien hoe belangrijk het is om je creatieve werk te beschermen, vooral als het gaat om merk- en auteursrechten. Het maakt duidelijk dat bestaande merken voorrang hebben en dat ook grote namen, zelfs Taylor Swift, in de entertainmentindustrie rekening moeten houden met merken die al bestaan. Voor creatieve professionals en ondernemers is het een reminder om hun werk tijdig te registreren en te zorgen dat hun merk duidelijk is vastgelegd.

Of Swift nu een deal sluit, de zaak in de rechtszaal uitvecht, of haar albumnaam moet aanpassen, blijft afwachten. Voor Wade staat echter meer op het spel dan een titel: het gaat om de bescherming van een jarenlang opgebouwd merk en een carrière vol show en muziek. En laten we eerlijk zijn, wie wil er nu niet een beetje drama in de wereld van glitter en spotlights?

door Eline Cremers, fotocredit: unsplash

Van bakkie tot merk: De juridische wereld achter jouw kopje koffie

Van bakkie tot merk: De juridische wereld achter jouw kopje koffie

 

Sabrina Carpenter wijdde er zelfs speciaal een lied aan: Espresso. En of je het nu een bakkie, leut, pleur, slobber of troost noemt, één ding is zeker: koffie verbindt ons. Op 1 oktober vieren koffieliefhebbers wereldwijd de Internationale Dag van de Koffie. Een prima excuus voor een extra lekker kopje koffie, of juist een kans om een nieuwe smaak uit te proberen. Maar achter de aroma’s en smaken schuilt een verrassend juridisch wereldje: die van intellectuele eigendomsrechten.

 

Van boon tot merk

Hoewel de koffieboon een natuurproduct is dat niet onder IE-rechten beschermd kan worden, kunnen de merken en verpakkingen die koffiebedrijven uniek maken wel bescherming genieten. Wie kent bijvoobeeld niet Nespresso, Senseo, Douwe Egberts, Lavazza en Starbucks. De namen, logo’s en zelfs bepaalde verpakkingselementen zijn vaak als merk beschermd. Hiermee kan worden voorkomen dat concurrenten een (bijna) identieke naam of logo gebruiken.

 

Koffie & bedrijfsgeheimen

Sommige koffiegiganten beschermen hun recept of bereidingswijze als bedrijfsgeheim. Dit kan jarenlang concurrentievoordeel bieden zonder dat het publiek erachter komt hoe een bepaalde koffie bijvoorbeeld precies gemaakt wordt. Wel is het dan natuurlijk van belang dat degenen die bekend zijn met het recept of de bereiding dit ook daadwerkelijk geheim houden.

 

Het design van koffiebeleving

Naast merken en recepten kan ook het uiterlijk van koffieverpakkingen of -apparaten bescherming genieten, in dit geval via het auteursrecht en/of het modelrecht. Van iconische koffiekopjes tot het uiterlijk van een koffiemachine: IE-rechten zorgen ervoor dat creativiteit en investeringen in vormgeving worden erkend en beschermd.

 

Relevantie IE-rechten

IE-rechten zijn uiteindelijk niet alleen nuttig voor bedrijven; ze beschermen ook de ervaring van de consument. Dankzij merken en design weten we precies wat we kunnen verwachten bij een kopje koffie van onze favoriete keten of merk. Tegelijkertijd stimuleren IE-rechten innovatie: bedrijven worden beloond voor hun creativiteit, wat leidt tot nieuwe koffiesmaken, apparaten en belevingen.

 

En wanneer kom jij bij ons een kopje koffie drinken?

Door Eline Cremers

Franse “bail commercial” versus Nederlandse huurovereenkomst

Franse “Bail commercial” versus Nederlandse huurovereenkomst

Commerciële huurovereenkomsten in Nederland en Frankrijk kennen belangrijke verschillen, zowel op het gebied van regelgeving als praktijk. In Nederland maakt men onderscheid tussen twee hoofdvormen: de huurovereenkomst voor middenstandsbedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW (hierna: “290-bedrijfsruimte”) en de huurovereenkomst voor overige bedrijfsruimten ex artikel 7:230a BW (hierna: “230a-bedrijfsruimte”). In Frankrijk is de bail commercial de standaard huurovereenkomst voor commerciële huur.

Onderscheid tussen 290- en 230a-bedrijfsruimte in Nederland

Het onderscheid tussen 290- en 230a-bedrijfsruimte in Nederland heeft verstrekkende juridische gevolgen. Een 290-bedrijfsruimte biedt sterke huurbescherming en is met name bedoeld voor ondernemers met een publiekstoegankelijke bedrijfsruimte, zoals winkels, horecagelegenheden en ambachtelijke bedrijven die direct aan consumenten leveren. De huurder geniet een wettelijk beschermde huurperiode en opzegbescherming, wat stabiliteit en zekerheid biedt voor ondernemers. Daarentegen vallen in beginsel kantoorruimte, opslagruimte en andere niet-publiek toegankelijke bedrijfsruimten onder 230a-bedrijfsruimte, waarvoor de wet aanzienlijk meer flexibiliteit biedt aan zowel huurders als verhuurders. De huurbescherming is beperkter en de opzegmogelijkheden zijn soepeler dan bij een 290-bedrijfsruimte.

Franse bail commercial

In Frankrijk is de bail commercial de standaard huurovereenkomst voor commerciële huur. Dit type huurovereenkomst wordt vaak gebruikt voor de verhuur van winkelpanden, kantoorruimten, restaurants, en andere commerciële bedrijven. In tegenstelling tot het Nederlandse huurrecht, kent het Franse huurrecht geen directe tweedeling, maar de bail commercial functioneert in veel opzichten vergelijkbaar met de 290- bedrijfsruimte: het biedt langdurige bescherming aan huurders en beperkt de opzeggingsmogelijkheden van verhuurders. Daartegenover staat dat in Nederland een 230a-bedrijfsruimte meer contractuele vrijheid biedt en in dat opzicht flexibeler is dan de bail commercial.

Duur en opzegging van de bail commercial

De bail commercial heeft in Frankrijk een vastgestelde minimale duur van negen jaar, hetgeen bedoeld is om de huurder voldoende tijd te geven om zijn investering terug te verdienen. Na een periode van drie jaar heeft de huurder echter de mogelijkheid om de overeenkomst tussentijds op te zeggen. Deze flexibiliteit wordt gezien als een bescherming voor de huurder, die anders mogelijk vast zou zitten aan een langdurig contract zonder uitweg.

De verhuurder heeft ook opzegrechten, maar de wet beperkt deze mogelijkheden. De verhuurder kan alleen een huurovereenkomst beëindigen na het verstrijken van de negen jaar, of in bepaalde uitzonderlijke gevallen zoals dringende renovaties. Er geldt een opzegtermijn van zes maanden voor de verhuurder en de huurder moet minimaal zes maanden voor het verstrijken van de overeenkomst zijn voornemen tot beëindiging aangeven.

Duur en opzegging van de Nederlandse 230a- bedrijfsruimte

In tegenstelling tot de bail commercial heeft een huurovereenkomst op basis van art. 7:230a BW geen minimale duur. Dit betekent dat partijen vrij zijn om de looptijd van de huurovereenkomst te bepalen. Vaak wordt een contract voor een bepaalde tijd afgesloten, bijvoorbeeld voor vijf of tien jaar. Bij een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd kan de huurovereenkomst door beide partijen worden opgezegd, met een opzegtermijn van minimaal één maand, tenzij anders overeengekomen.

Het contract eindigt bij het verstrijken van de afgesproken huurperiode, tenzij de huurovereenkomst is verlengd of de huurder het gehuurde blijft gebruiken na het verstrijken van de huurtermijn.

Verlenging

De bail commercial biedt een recht van verlenging na de initiële termijn van negen jaar, tenzij de verhuurder een geldige reden heeft om de huurovereenkomst niet te verlengen. Dit recht kan enkel door de verhuurder worden ontzegd onder strikte voorwaarden, zoals het geval is bij de verkoop van het onroerend goed.

Op grond van artikel 7:230a BW heeft een huurder van bedrijfsruimte die niet onder de strengere bescherming van 7:290 BW valt, zoals kantoren en opslagruimtes, recht op een verlengingstermijn na opzegging door de verhuurder. Wanneer de verhuurder de huurovereenkomst beëindigt, moet hij de huurder tijdig dagvaarden om ontruiming af te dwingen. De huurder kan vervolgens binnen twee maanden na de opzegging een verzoek tot verlenging indienen bij de rechter. De rechter kan de ontruiming met maximaal één jaar uitstellen en deze verlenging desgewenst nogmaals toekennen. Dit biedt de huurder tijd om een alternatief te vinden en de bedrijfsvoering voort te zetten. Bij de beoordeling van een verlengingsverzoek weegt de rechter de belangen van beide partijen af. Factoren zoals de investeringen van de huurder in het gehuurde en de nadelige gevolgen van een gedwongen verhuizing kunnen een rol spelen.

Vergoeding en kosten

Sinds de invoering van de Franse wet “loi Pinel” in 2014 is de verdeling van de kosten tussen huurder en verhuurder bij een bail commercial strikt gereglementeerd. Het huurcontract moet een gedetailleerd en limitatief overzicht bevatten van alle lasten, belastingen en heffingen, met een duidelijke vermelding wie welke kosten draagt. De huurder is verantwoordelijk voor de kosten die samenhangen met het gebruik van het pand (de kosten voor water, elektriciteit en gas; het onderhoud van gemeenschappelijke voorzieningen zoals liften en schoonmaak van de gemeenschappelijke ruimtes; de dagelijkse onderhouds- en reparatiekosten, bepaalde verbeteringswerken en lokale belastingen zoals de afvalstoffenheffing en de belasting op openbare wegen. De verhuurder blijft aansprakelijk voor kosten die verband houden met het eigendom van het pand, zoals grote structurele reparaties (bijvoorbeeld aan dragende muren, funderingen, daken en gevels, conform artikel 606 Code civil).

Bij een artikel 7:230a BW-huurovereenkomst is de huurder verplicht om naast de kale huurprijs ook eventuele servicekosten te betalen. Omdat de wet geen specifieke regeling kent voor servicekosten bij bedrijfsruimtes, hangt het van de huurovereenkomst af welke kosten hieronder vallen. In de praktijk gaat het vaak om kosten voor nutsvoorzieningen (zoals water, gas en elektriciteit) en diensten (zoals schoonmaak, beveiliging en onderhoud). In tegenstelling tot woonruimtehuur zijn er in het bedrijfsruimterecht geen wettelijke bepalingen die de servicekosten reguleren. Dit betekent dat de betalingsverplichting van de huurder volledig afhangt van de afspraken in het huurcontract. Daarom is het essentieel dat partijen duidelijk vastleggen welke kosten als servicekosten worden beschouwd, om discussies en geschillen te voorkomen.

Vergelijking en conclusie

Bovenstaande punten zijn slechts een aantal aspecten van huurovereenkomsten en laten zien dat er aanzienlijke juridische verschillen tussen de bail commercial en de huurovereenkomst op basis van art. 7:230a BW zijn. Het belangrijkste verschil is de duur van de huurovereenkomst. De bail commercial is ontworpen om de huurder langdurig te beschermen door een minimale huurperiode van negen jaar in te stellen. Dit biedt de huurder meer stabiliteit, maar kan voor verhuurders minder flexibel zijn, vooral in gevallen van marktschommelingen of veranderende behoeften.

Aan de andere kant biedt de huurovereenkomst op basis van art. 7:230a BW in Nederland veel meer flexibiliteit voor zowel de verhuurder als de huurder. De korte opzegtermijnen en de mogelijkheid om de huurovereenkomst te beëindigen zonder de langdurige verplichtingen van de bail commercial, geven partijen de ruimte om snel in te spelen op veranderende omstandigheden. Dit kan vooral voordelig zijn voor bedrijven die tijdelijk een locatie nodig hebben, maar ook risico’s met zich meebrengen voor huurders die afhankelijk zijn van langdurige zekerheid.

De bail commercial en de huurovereenkomst ex 7:230a BW bieden dus verschillende voordelen en beperkingen voor zowel verhuurders als huurders. Het is van groot belang voor zowel verhuurders als huurders om goed op de hoogte te zijn van de specifieke wetgeving die van toepassing is op hun situatie om juridische conflicten te voorkomen en de beste voorwaarden voor hun huurovereenkomst te waarborgen.

Door Fleur le Roy

Greenwashing en het Europese merkenrecht

Op 11 april 2024 kopte een artikel in het Parool ‘AH doet aan greenwashing: duurzame claim bleek gebaseerd op mening klanten, niet op ingrepen’. Volgens de Autoriteit Consument & Markt (ACM) zijn de groene claims van Albert Heijn ‘onjuist en onduidelijk’. De uitspraak ‘de meest duurzame supermarkt’ is volgens ACM bijvoorbeeld niet gebaseerd op groene inspanningen maar op een achterhaald klantenonderzoek. Van greenwashing is sprake, indien een bedrijf het publiek laat geloven dat het meer doet om het milieu te beschermen dan in werkelijkheid het geval is. Het betreft misleidende, onduidelijke of slecht onderbouwde milieuclaims die consumenten ervan weerhouden duurzame consumptiekeuzes te maken. Greenwashing vormt een belangrijk obstakel bij het aanpakken van klimaatverandering omdat valse oplossingen worden geboden voor de klimaatcrisis. Op deze manier kan concrete en geloofwaardige actie worden vertraagd. In dit artikel ga ik in op de rol die het Europese merkenrecht speelt bij het tegengaan van greenwashing.

Read more

World Photography Day – auteursrecht op foto’s

Op 19 augustus 2023 is het ‘World Photography Day’, een jaarlijkse, wereldwijde viering van de kunst, het ambacht, de wetenschap en de geschiedenis van de fotografie. De geschiedenis van fotografie begint met de eerste foto van Joseph Nicéphore Niépce in 1826. Pas sinds enkele decennia is het medium fotografie als kunstvorm doorgedrongen in galeries en musea. Juridisch is de status van fotografie echter niet altijd onbetwist.

De Nederlandse rechter heeft in het verleden zelfs geoordeeld dat bepaalde foto’s niet in aanmerking zouden komen voor auteursrechtelijke bescherming. Met andere woorden, de maker kan dan niet verhinderen dat derden gebruik maken van de foto die hij of zij heeft gemaakt. Read more

International day of sport for development and Peace

Intellectuele eigendomsrechten in actie

Vandaag, 6 april, is het The International Day of Sport for Development and Peace (IDSDP).

Dit jaar is het thema “Scoren voor Mensen en de Planeet”. Sport heeft het vermogen om de wereld te veranderen; het is een fundamenteel recht en een krachtig instrument om sociale banden te versterken en duurzame ontwikkeling en vrede, maar ook solidariteit en respect voor iedereen te bevorderen.

Sport brengt mensen samen en laat ze voor even al hun problemen vergeten. Door het hele land worden oranje vlaggetjes opgehangen als Oranje door is naar het WK, we juichen met z’n allen als de Nederlandse sporters medailles hebben gewonnen op de Olympische spelen en huilen samen als de favoriete sportclub een wedstrijd verliest.

Maar ook voor intellectuele eigendomsrechten en marketing is sport belangrijk. De impact van sport is enorm en het heeft een megabereik. Als Cristiano Ronaldo op een WK voetbal een flesje Coca Cola afkeurend wegschuift tijdens een persconferentie, gaat deze actie de hele wereld over. Niet alleen het merkenrecht is in sport te vinden, maar ook het octrooirecht, het auteursrecht, het portretrecht en het modellenrecht. Read more

Olympe de Gouges: een revolutionaire feminist

Vrouwen speelden in de geschiedenis meestal de tweede viool. Zo zijn vrouwelijke kunstenaars ondervertegenwoordigd in de musea en ook naar het bestaan van vrouwelijke filosofen wordt pas sinds de 20ste eeuw onderzoek gedaan. Vandaar dat het op internationale vrouwendag goed is om stil te staan bij een uitermate belangrijke, doch vrij onbekende, vrouwelijke figuur uit de geschiedenis: Olympe de Gouges. Samen met Mary Wollstonecraft was zij een van de belangrijkste feministen ten tijde van de Franse revolutie.

Als dochter van een slager en een dienstbode trouwde Marie Gouze op 16-jarige leeftijd tegen haar wil met de veel oudere Louis-Yves Aubry. Toen hij vlak na de geboorte van hun eerste kind overleed, weigerde zij de naam van haar man te dragen. Ze nam zichzelf voor nooit meer te trouwen. Ze veranderde haar naam naar Olympe de Gouges en vertrok naar Parijs. Daar vertelde ze iedereen dat haar vader de schrijver Jean-Jacques Lefranc, markies de Pompignan was. In het dorp waar zij vandaan kwam ging dit verhaal al geruime tijd rond. Haar moeder heeft als dochter van een gerespecteerde advocaat veel contact gehad met Lefranc en zou zelfs met hem gaan trouwen, ware het niet dat de familie van Lefranc haar geen geschikte kandidaat vond, omdat ze niet van adel was. Lefranc heeft het dorp toen verlaten, maar keerde vlak voor de geboorte van De Gouges terug. Hoe het ook zij, in Parijs kon zij deze geruchten goed gebruiken als ingang bij de elite van Parijs.

Read more

All I want for Christmas is… een merk

Het is weer die tijd van het jaar: de kerstfilms verschijnen één voor één op Netflix, de kerstballen zijn weer van zolder gehaald en op de radio klinken de eerste tonen van “Last Christmas”, “Feliz Navidad” en natuurlijk “All I want for Christmas is You”. Van dat laatste nummer kan je wel zeggen dat dit dé ultieme kersthit is en dat Mariah Carey met stip op 1 “the Queen of Christmas” is. Dat moet zij ook hebben gedacht, want Mariah Carey heeft een aanvraag bij het Amerikaanse octrooi- en merkbureau gedaan om onder andere “QUEEN OF CHRISTMAS,” als merk te registeren. Maar is dit eigenlijk wel mogelijk en mag Mariah Carey zich nu als enige “Queen of Christmas” noemen?

Read more